Collectie J.A.L. Velle (Antwerpen)

Biographical / Historical Note

Jozef Antoon Lodewijk Velle geboren Lier, België 1866, overleden Antwerpen, België 1925; accountant te Antwerpen; was in zijn vrije tijd conservator van de verzameling van Antwerpen's Oudheidkundige Kring, waarvan hij tevens stichtend lid was; bezat een van de belangrijkste Belgische privé-verzamelingen op het terrein van handelswetenschappen en economische geschiedenis.

Content

Een van de eerste en belangrijkste aanwinsten in de collectie handschriften van het NEHA was de zgn. Collectie Velle. Het accent in deze in de jaren 1925-1926 verworven verzameling boeken en handschriften lag duidelijk op Brabant en dan met name op de handelsrelaties tussen Antwerpen en de Iberische wereld. In feite betekende dit een internationalisering van het acquisitiebeleid en dus een afwijking van de statuten van het NEHA uit 1914. Het is de vraag in hoeverre dit het gevolg is geweest van een bewuste beleidskeuze. In ieder geval achtte men het niet noodzakelijk de feitelijke koerswijziging toe te lichten in de jaarverslagen uit die tijd. Pas in 1980 verdween de beperking van het NEHA tot Nederland en koloniën uit de statuten.

Jozef Antoon Lodewijk Velle (Lier 1866 - Antwerpen 1925) was accountant te Antwerpen (voor enkele persoonlijke documenten zie Bijzondere Collecties no. 566). Hij was in zijn vrije tijd conservator van de verzameling van Antwerpen's Oudheidkundige Kring, waarvan hij tevens stichtend lid was, en bezat een van de belangrijkste Belgische privé-verzamelingen op het terrein van handelswetenschappen en economische geschiedenis. Na zijn overlijden (4-9-1925) werd zijn omvangrijke bezit aan boeken, manuscripten, schilderijen, gravures etc. openbaar verkocht. Voor de veiling werden niet minder dan zes werkdagen uitgetrokken (26 april -1 mei 1926). Dat was ook wel nodig aangezien de veilingcatalogus niet minder dan 144 pagina's en bijna 3.400 nummers beslaat.

Dat Velle een veelzijdig man was met een ruime wetenschappelijke belangstelling moge blijken uit de indeling van de veilingcatalogus in niet minder dan 21 rubrieken: twee op het terrein van de algemene en lokale Antwerpse geschiedenis, acht op het terrein van de economie en de economische geschiedenis en verder nog twee rubrieken 'schone kunsten', twee natuurwetenschappelijke rubrieken en twee literaire (Frans, Nederlands, Engels en Italiaans) en filologische afdelingen. Bijna de helft van het aantal catalogusnummers had betrekking op economische geschiedenis, economie en handelswetenschappen. Velle publiceerde talloze kleine bijdragen in o.a. het Maandblad voor het Boekhouden en in twee Antwerpse periodieken: Le Jouaillier en De Week, een progressief en vrijzinnig liberaal blad. Deze publicaties waren vaak sterk beschrijvend of hadden het karakter van een geannoteerde bronnenuitgave. Dat Velle daarbij uit eigen bezit putte hoeft geen betoog.

De handschriftencollectie Velle heeft Posthumus al eind 1925 ondershands aangekocht, zoals vermeld in het jaarverslag over 1925 - overigens zonder de naam Velle te noemen. Op 20 januari 1926 wordt door het NEHA als aanwinst genoteerd 'Verzameling Velle Antwerpen' zonder nadere specificatie, maar dat het hier om het overgrote deel van de handschriften gaat, is nu wel duidelijk. In het jaarverslag over 1926 wijst Posthumus trouwens op het grote belang van 'relaties in het buitenland', lees 'informele contacten', voor de acquisitie van verzamelingen. Wellicht was de Antwerpse stadsarchivaris J. Denucé Posthumus' contactpersoon. Het lijkt nogal vreemd dat Denucé, die zelf veel heeft gedaan voor de inhoudelijke ontsluiting van de economisch-historische archieven in het Antwerpse stadsarchief, assistentie heeft verleend bij de verkoop naar het buitenland van een handschriftencollectie waarin veel Antwerps historisch materiaal zat. Uit de correspondentie tussen Posthumus en Denucé blijkt echter dat de stadsarchivaris over een bijzonder mager budget beschikte. Zo vroeg hij in 1928 voor enkele weken Posthumus' Geschiedenis van de Leidsche Lakenindustrie in bruikleen omdat de aankoop budgettair niet haalbaar was.

Wellicht tekenend voor de haast waarmee de aankoop van de handschriften is geschied, is de correspondentie die Posthumus er al in februari 1926, twee weken na de ontvangst en dus nog voor de veiling, over voert met de weduwe. Kennelijk ontdekt hij pas ten volle bij het uitpakken dat hij hiermee vooral waardevolle Zuid-Nederlandse documenten heeft verworven. Dit nu behoort strikt genomen niet tot de taak van het NEHA. Volgens de statuten behoort het zich tot Nederland en koloniën te beperken. De eerste reactie van Posthumus is dan ook een gedeelte van de manuscriptenverzameling, met name een aantal stukken "die voor Holland van minder belang zijn" als onderdeel van de openbare veiling van de Velle-collectie te verkopen. Wellicht hoopte hij hiermee de aankoop van boeken uit de aanstaande veiling mede te financieren en - schreef hij aan mevr. Velle - "zou de heer Denucé in staat gesteld zijn reeds dadelijk een aantal bescheiden aan te kopen, zoo hij dat wil". Hij gebruikte daarbij ook het argument "dat de stukken in Antwerpen zouden blijven, waar ze thuis behooren". Zover is het echter nooit gekomen en de Velle-collectie bleef in haar geheel in het bezit van het NEHA. Daarmee kreeg - zonder dat de statuten op dat punt ooit veranderd werden - het NEHA vanaf 1926 een internationaal karakter. Het bestuur concludeert dan ook dat "aan de werkkring der Vereeniging in het vervolg een ruimer gebied [is] toegewezen. Er is thans een uitbreiding in deze richting aanwezig."

De aankoop van de Velle-collectie, handschriften en boeken samen, heeft waarschijnlijk ruim ƒ 8.000,- gekost. De financiering van deze aankoop kan vrij goed worden getraceerd en geeft een aardig beeld van Posthumus' ondernemerszin. Sommige potentiële donateurs worden persoonlijk benaderd. Wethouder Wibaut zorgde voor een subsidie van ƒ 1.000,- en Pierson en Co en Ed. Gerzon werden eraan herinnerd dat ze respectievelijk ƒ 500,- en ƒ 1.000,- hadden toegezegd. De Nederlandsch-Indische Handelsbank, de Nederlandsche Bank en de Amsterdamse Kamer van Koophandel fourneerden samen ƒ2.000,-. Verder richtte Posthumus in april 1926 in een circulaire een oproep aan "de Leden en Donateurs van het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief", echter met beperkt succes. Tenslotte zij nog opgemerkt dat Posthumus de Velle-collectie voor een relatief lage prijs heeft kunnen kopen. In de periode 1925-1926 bevond de Belgische frank zich in een vrije val.

In het jaarverslag over 1927 schreef Posthumus: "Het belangrijke materiaal, in het begin van 1926 in Antwerpen verworven, is nog slechts gedeeltelijk geordend". Hierin was eind 1987 nog nauwelijks verandering gekomen, dit ondanks de mededelingen uit het begin van de jaren ‘50 die het tegendeel suggereren. Ook Louman merkte nog in 1979 op: "Blijkens her en der op pakken aangetroffen nummers moet er een summiere rubriekenlijst van de verzameling hebben bestaan. Deze is echter thans niet meer aanwezig. De enige ingang tot deze enkele duizenden losse stukken die thans beschikbaar is, bestaat uit een door mij opgemaakte lijst van enkele tientallen rubrieken, die bij de verpakking van een gedeelte van de stukken gehanteerd blijkt te zijn."

Op basis van de gedetailleerde inventarisatie sindsdien, kan nu van ongeveer 6.000 documenten in de Bijzondere Collecties van het NEHA gesteld worden dat ze uit de Velle-collectie afkomstig zijn. Gezien de veelzijdige belangstelling van Velle gaat het hier om heel divers materiaal. Een grove en voorlopige indeling levert de volgende categorieën op.

Chronologisch ligt het zwaartepunt in de periode 1500-1800 met uitlopers naar het begin van de veertiende eeuw en het eind van de negentiende eeuw. Veel materiaal heeft - uiteraard - betrekking op de Zuidelijke Nederlanden en met name op Antwerpen. Tenminste een derde bestaat daarnaast uit Nederlandse, Franse, Duitse, Spaanse, Portugese, Italiaanse en Engelse stukken. Zo hebben enkele honderden stukken betrekking op de handel tussen Noordwest-Europa en het westelijke Middellandse Zeegebied. De indeling naar de aard van de stukken levert het volgende beeld op: het gedrukt materiaal bestaat hoofdzakelijk uit Antwerpse plakkaten over alle mogelijke aspecten van het stedelijke leven van de zestiende tot de achttiende eeuw, maar de onderzoeker treft ook tientallen zestiende en zeventiende eeuwse muntordonnanties van Florence aan, evenals enkele honderden negentiende eeuwse bedrijfsprospectussen. De handschriften bestaan uit (fragmenten van) boekhoudingen van handelshuizen en ambachtslieden, correspondentie, vele wisselbrieven, cognossementen en assurantiepolissen, processtukken, huishoudboekjes etc.

Met de verwerving van de collectie-Velle werd de basis gelegd voor de collecties prijscouranten en papiergeld en werd de iconografische sterk uitgebreid. Het belangrijkste was echter de internationalisering van het NEHA en - niet te vergeten - van de wetenschappelijke arbeid van zijn directeur, denk aan zijn activiteiten in het internationaal comité voor de prijsgeschiedenis.

In de eerste alomvattende Gids van de collecties van het NEHA uit 1992 was het nog slechts ten dele mogelijk de collectie Velle in zijn volle omvang te tonen. Gekozen werd voor een tweedeling. Enerzijds werden duidelijk herkenbare deelcollecties afzonderlijk opgenomen, zoals van handelaars (zie o.a. Boorsma-Lucassen 1992, nr. 134vv. op pp. 77vv.), maar ook in meer algemene thematische deelcollecties als gilden (Idem nr. 326 v.v.. op pp. 134vv.) en 'verordeningen' (Idem nr. 315 op p. 131). Daarbij is steeds als (vermoedelijke) herkomst aangegeven 'Velle 1926'.

Anderzijds werd een restcategorie 'Collectie Jos Velle' van enkele duizenden documenten opgevoerd (Idem, p. 176), slechts ontsloten door een zeer gebrekkige plaatsingslijst. Het probleem toen en nu is dat het in veel gevallen niet met zekerheid is vast te stellen wat indertijd al dan niet tot deze collectie behoord heeft, aangezien toen geen volledige inventaris is opgemaakt. Op inhoudelijke en formele gronden is echter getracht dit complex zoveel mogelijk te reconstrueren.

Lijst van literatuur waarnaar in de inventaris verwezen wordt
1. Archievenblad: Antwerpsch Archievenblad
2. Boorsma/Lucassen: Peter Boorsma en Jan Lucassen, Gids van de collecties van het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief te Amsterdam, Amsterdam 1992.
3. Carozzi: Albert V. Carozzi and Marguerite Carozzi, 'Franz Joseph Märter, travel companion of Johann David Schöpf in a journey from Philadelphia to Florida and the Bahamas in 1783-1784', in Earth Sciences History 13 (1994), 5-20.
4. Prims: Floris Prims, Geschiedenis van Antwerpen, 29 dln, Brussel/Antwerpen 1927-1949.
5. Stols: Eddy Stols, De Spaanse Brabanders of de handelsbetrekkingen der Zuidelijke Nederlanden met de Iberische wereld 1598-1648, 2 dln, Brussel 1971.

Related Material

Zie ook eerste aanvulling op de collectie Velle en het Archief J.A.L. Velle (Antwerpen)